Onderwerp voortgang:

Behalve het cognitieve niveau, heb je ook nog het motorische niveau van kinderen. Bewegend leren heeft naast het leren, natuurlijk ook nog bewegen. En niet iedereen beweegt op hetzelfde niveau, hoewel we dit wel eens vergeten. Wil je dat iedereen meedoet? Zorg dan dat iedereen mee kan doen. Kinderen die bewegend leren niet leuk vinden, vinden het vaak niet leuk omdat ze het niet kunnen. Het is eigenlijk ook wel bijzonder dat we wel differentiëren in bijvoorbeeld rekenen, maar er tegelijkertijd vanuit gaan dat kinderen motorisch op hetzelfde niveau zitten.

Zoals eerder gezegd: de kinderen die niet mee willen doen met het bewegend leren, vinden het meestal niet leuk omdat ze zich onzeker voelen. Je ziet dit vaak tijdens gymlessen waarin gedanst wordt. Dansen is een activiteit waar niet ieder kind zich prettig bij voelt, omdat het weinig gedaan wordt (en ze er dus onzeker over zijn). Daarnaast speelt bij bewegen vaak de angst dat klasgenoten zien dat iets niet beheerst wordt. Dus: onzeker en niet op niveau mee kunnen doen? Het effect is een kind die niet mee wíl doen.

Kinderen die niet mee willen doen uiten dit op verschillende manieren. De een gaat in de weerstand en weigert gewoon, de ander zoekt uitvluchten zodat hij niet in de klas is (helpt met het verzamelen van materialen, gaat naar de wc etc.) en weer een ander vertoont clownesk gedrag. Deze kinderen gooien de bal, die jij net naar ze gegooid hebt, overdreven ver weg bijvoorbeeld. Of laten hem bewust vallen en bouwen er een mooie show omheen. Gevolg: een drukke klas, kinderen die niet mee doen en jij hebt een les die niet lekker loopt.

Onderschat het belang van het motorische mee kunnen doen dus niet. Hoe zorg je dat kinderen motorisch mee kunnen doen? Heel simpel: net als de leerinhoud, zorg je dat de bewegingen ook op niveau zijn. Denk aan het joggen op de plaats: je kunt kinderen ook laten stappen op de plaats, of met hun armen laten bewegen. Of op je stoel staan (is moeilijk voor kinderen waarbij hun balans niet goed ontwikkeld is, of die hoogtevrees hebben!): zeg dat kinderen ook op de grond mogen gaan staan. Een bal die gevangen moet worden is lastig, maar met een zachte bal van stof al makkelijker. Een ballon is nog fijner voor kinderen om te vangen (omdat die langzaam beweegt, dus er is meer tijd om te reageren. Daarnaast zijn kinderen soms bang voor harde ballen, mede omdat die zo snel gaan). Het stuiten van tennisballen is net zoiets: het is een motorisch lastige activiteit. Laat kinderen dan een bal rollen, in de handen omhooggooien en vangen of geef deze kinderen een grote (basket)bal om mee te stuiten in plaats van een tennisbal. In de werkvorm bij dit hoofdstuk gaan we wat dieper in op het differentiëren bij het stuiten van een bal.

Zeg NOOIT tegen kinderen dat de ene beweging moeilijk is en de andere makkelijk, want daarmee geef je weer aan dat kinderen iets wel of niet kunnen. Vertel gewoon welke opties er zijn en dat kinderen kunnen kiezen. Dus: je mag op de grond of op je stoel staan.

Weet je niet hoe je activiteiten op motorisch niveau kunt aanpassen? Ga eens in gesprek met de gymleerkracht bij jullie op school: die kan je er vast bij helpen.

Voor kinderen met een motorische beperking geldt dus hetzelfde: ook dit kind kan bewegen, kijk naar de mogelijkheden. Kijk naar wat ze wel kunnen (praat er desnoods even 1 op 1 met ze over) en geef de kinderen de mogelijkheid om op hun niveau mee te doen.